Zoals ieder jaar druppelde de camping pas na de pinksterdagen vol. Vanaf vijftien april tot half mei wisselden de vakantiegangers van het voorjaarsseizoen zich snel af. Campers die doortrokken naar Spanje en Portugal bleven twee of drie dagen, afhankelijk van het weer, om daarna plaats te maken voor degenen die voor langere tijd op een rustige plek in het kampeerpark neerstreken om te genieten van het lentegevoel in de Corrèze. Als de takken van de seringenbomen naar beneden hingen vol zwaar geparfumeerde bloementrossen en de kersenboom in een felroze waas de geur verspreidde van een zoete zuurstok, genoten de eerste kampeerders in comfortabele ligstoelen van geuren, kleuren en niet te vergeten van de rust.

De eerste drukte in het sanitairgebouw was achter de rug en de gasten zagen elkaar na het ontbijt terug bij de afwas en de handwasjes. Deze nieuwe dag begon onder een heldere blauwe hemel waarin de zon het rijk alleen had. Geen wolkje aan de lucht. Jan, wiens caravan op een plek stond vanwaar hij ruimschoots contactmogelijkheden had met de rest van de bewoners kloste op zijn klompen door de deuropening van het restaurant. “Tjonge, wat heb jij veel mollen in je veld”, riep hij naar Jos die achter de bar de glazen spoelde. De patron haalde moedeloos de schouders op. “Daar is geen beginnen aan”, antwoordde hij kwasi wanhopig. ”We hebben van alles geprobeerd. Vallen, speciale wormen, water… Ze zijn ons gewoon te slim af”.

Jan kloste nu met grote passen richting bar. ”Man”, riep hij opgewekt, zwaaiend met zijn armen in de lucht ”Die pak je toch gewoon met de schop!”. “Hij wel”, grinnikte Jos spottend. Na een korte pauze klaarde zijn gezicht ineens op. Hij haalde zijn handen uit het schuimende sop en sloeg Jan zo enthousiast op de schouder dat de schuimvlokken in zijn haren bleven plakken. “Probeer jij het maar” lachte hij. “Voor elke mol die je vangt krijg je van mij een biertje”. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Jan nam de weddenschap graag aan!

Met het aantrekkelijke vooruitzicht op een lange rij volle glazen op de bar vertrok hij vol goede moed naar zijn mooie plek op de camping waar hij met de geleende schop van Jos op een stoel bij molshoop nummer één de wacht hield. Al snel trok hij de aandacht van de overige campinggasten en verzamelde zoetjesaan een kring van belangstellenden om zich heen die van een veilige afstand toekeken, om vooral de ondergrondse dierentuin niet te verontrusten. Af en toe reikte zijn vrouw hem een kopje koffie aan vanuit de caravan. Gelukkig waren er meerdere molshopen te bewaken, zodat Jan af en toe wat afwisseling had en voorzichtig met zijn stoel over het veld sloop om te kijken of ergens anders de aarde bewoog.

Na enkele uren werd het hoog tijd voor een sanitaire stop, precies op het moment dat de patron zijn ronde deed over de camping. Hij ging even zitten op de stoel die nog warm was van de lange zit van Jan, maakte een praatje met diens vrouw en hield ondertussen de molshoop in de gaten. Het was bijna niet te zien, maar toch…! Bovenop de hoop bewogen enkele zwarte zandkorrels. Jos greep de schop die tegen de caravan stond en sloeg toe. Met een flinke schep haalde hij een verbaasde mol uit het gat. Jan, die op een drafje terug kloste slaakte een kreet van teleurstelling. Triomfantelijk hield Jos de schop met de verbaasde mol omhoog. “Dat is een biertje voor mezelf”, lachte hij tegen de sip kijkende mollenvanger.

Jan griste de schop uit zijn handen, greep de stoel en zocht tot grote hilariteit van de menigte een andere molshoop om opnieuw zijn geluk te beproeven. Jos verdween naar de bar maar kon het niet laten om een scorebord te maken waarop duidelijk in het zicht van de hele camping de namen van Jan en Jos vermeld stonden met een eentje onder de naam van Jos en een nul onder die van Jan. Met enig leedvermaak ging de patron verder met de dagelijkse bezigheden. In de bar achter de tap werd hij gedurende de rest van de dag door meelevende gasten nauwkeurig op de hoogte gehouden van de stand van zaken op het veld. Jan veranderde regelmatig van molshoop en gaf de moed niet op. Eindelijk, aan het einde van de middag, onder feestelijk gejuich van de halve camping hield Jan in de deuropening van het restaurant triomfantelijk de schop omhoog. Vanaf zijn plek achter de bar kon Jos de contouren van een mol onderscheiden. Hij stak zijn duim omhoog. “Pilsje verdiend jongen”, grijnsde hij.

Trots veegde Jan met een groots gebaar de nul weg van het geimproviseerde scorebord en zette er een eentje voor in de plaats. Daarna hees hij zich op de kruk voor de bar en zette zijn mond in het schuim van een welverdiend biertje. Gedurende de rest van zijn verblijf kwam regelmatig het succes ter sprake en moest hij tot in details vertellen hoe hij te werk was gegaan. Ook voor Jan brak de dag van vertrek aan en moest er afgerekend worden. Met alle geweld wilde hij bij het eindbedrag nog een biertje optellen. Schoorvoetend gaf hij daar uitleg over. Het hele verhaal over de vangst van ‘zijn’mol was uit zijn duim gezogen. Een meelevende kampeerder had onderweg naar de supermarkt de dode mol langs de kant van de weg gevonden en hem meegenomen om Jan te helpen. “Het beestje was al een paar dagen dood en stonk een uur in de wind”, vertelde hij “Daarom durfde ik niet verder het restaurant in te komen en ben ik bij de deur blijven staan”. Bij deze creatieve oplossing moesten we toch glimlachen. Alleen al bij de gedachte aan die arme mol tussen de boodschappentassen met verse groenten… Het biertje bleef natuurlijk van het huis!