De dierenarts keek me bijna bestraffend aan. ‘De hond is véél te zwaar’, zei ze streng als een schooljuf die haar leerling terecht wijst. Ik knikte schuldbewust. Dat had ik al gedacht, maar dat het zóveel teveel zou zijn viel me tegen. Met een waslijst aan goede adviezen waaronder: Een aangepast dieet met weinig maar speciale brokken, elke dag een bak verse groenten, veel wandelen en buiten spelen trokken we tien minuten later de deur van de praktijk achter ons dicht. Vastberaden om het gelijk streng en consequent aan te pakken negeerde ik de bedelende blik van Imaya die volgens goede gewoonte een piepklein koekje kreeg als ze braaf in de auto sprong. Sorry Imy! Jos, die als het om zijn geliefde hond gaat een hart van chocolademousse heeft, keek me een beetje verwijtend aan. Moest dat nou zo? Ja, het móet even.

De speciale brokken waren snel gevonden. Sperziebonen, courgettes en wortelen verdwenen met kilo’s tegelijk in de pan om ervoor te zorgen dat er toch een prettig verzadigd gevoel in de hondenmaag achterbleef na de maaltijd. Op de camping spelen met stokken en ballen was al een vaste gewoonte hoewel Imaya er even aan moest wennen dat ze na elke actie niet meer werd beloond met een koekje ,maar met een stukje gekookte wortel. Aan wandelen hadden we geen van beiden een hekel dus in weer en wind, zon en mist verdwenen we naar het gebied achter de camping waar we naar hartenlust kilometers konden maken.

De tijd van het zoeken naar eekhoorntjesbrood was in volle gang. In elke inham stond wel een auto geparkeerd en op de gekste plekken kwamen we mensen tegen met stokken, manden en plastic zakken. Meestal waren we lekker vroeg buiten. Op sommige dagen al rond acht uur. De bossen hadden zich na de hitte van de afgelopen zomer te goed gedaan aan de regenbuien van september zodat we niet alle herfsttinten hoefden te missen. Sommige bomen en struiken zagen er hooguit iets fletser uit. Opvallend waren de kleuren van de hoge varens die andere jaren meer tinten donkerbruin hadden. Dit najaar leken de gelige tinten in de meerderheid en als de zon er even door kwam veranderde het eenvoudige bospad in een sprookjesachtige laan wuivende goud- en koperkleurige waaiers. Halverwege een smal wildpad met aan weerszijden dicht struikgewas van manshoge varens bleef Imaya staan en stak haar neus omhoog.

Ze liet een korte blaf horen. Was dat een antwoord op de blaffende hond in de verte of wilde ze er iets anders mee zeggen? Tegelijkertijd werd het struikgewas ruw uit elkaar gerukt en verscheen het hijgende hoofd van een man gevolgd door de rest van zijn lijf. Hij kwam niet boven de varens uit. Een geknakte stengel gleed als de veer van een indianentooi over zijn gedeukte hoed. Trots liet hij een mand zien waarin op een bedje van mos grote en kleine paddenstoelen uitgespreid waren. Hij vertelde dat hij graag bij het eerste daglicht in het bos liep en genoot van de herten die op dat uur aan de wandel gingen. Met de verkoop van de paddenstoelen kon hij zich een extraatje veroorloven, vertelde hij met een knipoog. Ik kon hem alleen maar groot gelijk geven. Imaya had hem inmiddels aan alle kanten besnuffeld en zat als een wassen beeld naast hem met haar neus halverwege zijn jaszak en een voorpoot half omhoog. De man lachte vertederd, aaide haar over de bol en greep in zijn zak. Nog voordat ik iets kon zeggen had Imaya een groot stuk worst te pakken waarmee ik een hele week de erwtensoep had kunnen versieren. Ze verdween zo snel ze kon tussen de varens om er twee minuten later uit tevoorschijn te komen met de voldane blik van een slimme hond die alles voor elkaar krijgt. Iets verderop bewoog een ander gedeelte van het struikgewas. Ik dacht aan de blaffende hond van daarstraks en vroeg hoe de hond heette. ‘Non non’, grinnikte de man ‘Dat is mijn vriend’. Een tel later schudde ik de hand van een vriendelijke kleine man die me op zijn beurt trots een mand vol, naar bosgrond geurend, eekhoorntjesbrood liet zien. Angstvallig hield ik Imaya in de gaten, want je kon maar nooit weten of hij ook iets in zijn zak had. Maar het was al te laat. De man had zijn laatste stuk stokbrood, dik belegd met een kaassoort die meer geur verspreidde dan de paddenstoelen, aan de hond gegeven. En weer die hondenblik, die zelfvoldane slimme blik. ‘Dat worden heel wat sperziebonen deze week, jongedame’, zuchtte ik terwijl we verder het pad afliepen. Onderweg naar huis kwamen we twee buurvrouwen tegen, die net als wij met hun honden genoten van de mooie herfstochtend. ‘Ach, wat een lieverd is het toch’, kraaiden ze om de beurt terwijl ze onze viervoeter stevig knuffelden. ‘Ze mag wel een koekje hè…een héél kleintje. En wéér zat Imaya, de liefste hond ter wereld met een voorpoot omhoog als een koninklijke hoogheid, en haar neus in een jaszak. En weer keek ze naar me met die blik. Die van een (schijn)heilig (sperzie)boontje. Maar ja, het ìs dan ook een bijzonder dier. Wat kun je anders doen, dan van haar houden en sperziebonen koken?