Lieve Jos,

Wat is het toch ongezellig om boodschappen te doen zonder jou. Niet dat je altijd meeging de winkel in. Meestal wachtte je in de auto met Imaya op de bijrijdersstoel. Het raampje open zodat de rook van je shagje naar buiten kringelde en ik me, met mijn volle kar, snel kon oriënteren waar je stond. Dat was ook nodig want je had nogal eens de gewoonte de auto te verplaatsen naar een andere plek die jou makkelijker leek waardoor ik je niet altijd even snel terugvond.

Soms kwam je mee de winkel in, liep dan in sneltreinvaart langs de bakken met aanbiedingen, en gooide op je terugweg een flinke handvol klein gereedschap in mijn kar. Op mijn ‘Dat heb je toch al in drievoud’, bromde je steevast ‘Kun je nooit genoeg van hebben’, waarna je met je pakje shag alweer in je hand snel naar buiten verdween.

In het begin van ons avontuur in Frankrijk ging je mee de winkel in. Samen snuffelden we dan tussen de etenswaren en waren meestal teleurgesteld dat het aanbod aanzienlijk saaier was dan in Nederland. Het personeel had ook niet dezelfde stijl. Weet je nog dat je eens bij de kassa een grote zak aardappelen in het karretje liet staan omdat je de band niet smerig wilde maken? Het meisje achter de kassa bekeek ons met een strenge blik van top tot teen en wees zonder iets te zeggen met een uitgestrekte wijsvinger van de aardappelen naar de band. Had ze beter niet kunnen doen. Gehoorzaam, maar met zo’n speciaal lachje dat niet altijd iets goeds voorspelde, greep je in ijzige slow-motion de zak en kwakte hem zo hard op de band dat de stofwolken een kassa verderop te zien waren. De schone, glimmende zwarte band veranderde in klein Sahara. Wij verstonden nog net niet genoeg van de Franse taal om de stortvloed van woorden te begrijpen die het kassa-meisje ons toeriep. Ze waren in elk geval niet vriendelijk bedoeld. Dat waren nog eens leuke tijden.

Eerlijk gezegd kon je het winkelpersoneel niet kwalijk nemen dat ze ons een beetje scheef aankeken. We deden meestal boodschappen aan het einde van de middag na lange werkuren waarin we met kalk, cement, stof en vuil bezig geweest waren en zagen er echt niet frisjes uit. Handen en gezicht waren schoon, maar de rest?!? Jouw baard had het volume van vijf paar geitenwollen sokken en mijn hoofd leek op een aardbeientaartje met slagroom dat lang in de zon had gestaan. In Nederland waren we echt zo Albert Hein niet binnengekomen. Maar wat was dat een geweldige tijd. We hadden overal maling aan. Ik kan weer langs de ontbijtspek lopen zonder vol te schieten. Heel wat keren werd ik midden in de winkel overvallen door emotie als ik terugdacht aan de zaterdagen waarop ik spekpannenkoeken voor je bakte. Wat kun je blij zijn met zo’n simpele kleine herinnering.

Je hebt nooit veel om lezen gegeven, dat weet ik, Maar de boeken over onze avonturen las je wel. De blogs ook. Jij zag ze het eerst. Als ik tijdens het lezen onderdrukt gegrinnik hoorde of je snorpunten omhoog zag komen wist ik dat het goed zat. Zodra ze geplaatst waren keek jij als eerste naar het aantal reacties en daar genoot je enorm van. Daarom schrijf ik je via een blog. Ik weet dat je het leest en op de een of andere manier zul je laten weten wat je ervan vindt.

Mijn leven is gevuld met jouw stille, onzichtbare aanwezigheid. In huis is alles hetzelfde als altijd. Imaya op de bank met haar hoofd op jouw kussen. Soms, als ik naar buiten loop, hoop ik dat je in je stoel zit op het terras met een peukje. Tegen beter weten in. In een van jouw ‘vieze, oude jasjes’, zoals wij ze altijd gekscherend noemden wandel ik dan met Imaya over de camping, intens verdrietig en tegelijkertijd zo trots op jou als die hond met zeven poten waarover je zelf ooit zo mooi vertelde in een radio-interview bij Radio Utrecht.

Je was er, je bent er, je zult er altijd zijn. Luf joe. Hanny.