Al enige jaren zijn wij blij met het toenemend aantal mensen dat tot op hoge leeftijd de gezelligheid van een camping opzoekt. Natuurlijk zijn de mogelijkheden daarvoor in de loop van de jaren in positieve zin behoorlijk uitgebreid. Auto’s zijn een stuk comfortabeler geworden en met vernuftige techniek aan boord om probleemloos op de juiste bestemming aan te komen is het reizen een stuk makkelijker en aangenamer geworden. De eigentijdse caravan, gestroomlijnd als de helm van een wielrenner of het snelle pak van de schaatser deint soepel en ritmisch mee aan de trekhaak. Eenmaal aangekomen op de vakantiebestemming onbreekt het ook al niet aan hulpmiddelen om de ‘sleurhut’ op de plek te zetten. Deden we vroeger onze kinderen een groot plezier met een op afstand bestuurbare auto , tegenwoordig staan de meeste kampeerders vanaf een bepaalde leeftijd net zo te stralen met de afstandsbediening, om hun vakantieverblijf met een druk op de knop naar de goede plek te manoevreren. Een halve meter naar links om de eerste ochtendstralen te kunnen vangen of een metertje naar rechts om in de na-gloeiende avondzon een mooie vakantiedag af te sluiten. De ‘mover’ heeft een onuitputtelijk geduld. In het interieur van de rijdende buitenverblijven zitten alle nieuwe snufjes verwerkt die nodig zijn om het gemak en de comfort van thuis niet te hoeven missen. Ouderdom en goed behandelbare kwalen kunnen tegenwoordig de jeugdige zeventiger niet meer tegenhouden om de weg op te gaan en de grenzen letterlijk te verleggen.

Onze oudste gaste ooit was zesentachtig. Zij kampeerde met haar iets jongere ega in een tent. Jawel, in een tent! Een lange, slanke vrouw met een zilvergrijs wiebelend knotje op haar hoofd. Als ze had gezegd zesenzestig te zijn hadden we haar ook geloofd. Ze droeg altijd stevige wandelschoenen en liep met de souplesse van een jonge gazelle. Van kinds af kampeerde ze in een tent, vertelde ze, en was niet van plan daar iets aan te veranderen. “Verrukkelijk om op de grond te slapen, te koken op ‘n gaspitje en een boek te lezen ’s avonds bij de olielamp”, lachte ze enthousiast. Zo lang haar gezondheid het toeliet wilde ze dit blijven doen. “Ik kan altijd nog op de bank hangen als ik oud ben” lachte ze.
We maken het vaker mee. Jeugdige bejaarden die zich niet laten bestempelen als ‘oud’ of ‘over de datum’, maar ervoor kiezen het leven ten volle te leven. Elk op een eigen manier. Niets op tegen, al moet ik eerlijk bekennen dat wij in sommige gevallen toch het nummer van de dichtstbijzijnde arts onder handbereik te houden. Alsof het vanaf een bepaalde leeftijd iets meer voor de hand ligt dat mensen plotseling iets mankeren.

In de Corrèze kennen we een flinke groep overlevers die het met elkaar goed en gezellig heeft. Zij komen niet kamperen maar wel lekker eten in het restaurant. Onze oudste gaste heeft negentig lentes gezien. Ze bestuurt nog steeds haar eigen auto en haalt haar vrienden op die ze naar de bingo-middagen en het restaurant rijdt. Het is heerlijk om naar de oude verhalen te luisteren die ons doen denken aan de tv-serie van Saartje en Swiebertje. Ze voelen zich op hun gemak in het oude gebouw waarin het restaurant is ondergebracht. Als het gesprek over artiesten van vroeger gaat, dan is er altijd wel één die begint te zingen. De manier waarop zij omgaan met de hedendaagse tijd en alle veranderingen die zij meemaakten heeft iets laconieks. Niet alles van vroeger was beter, vinden ze. Het was gewoon anders.
Op een doordeweekse dag kun je ze in alle vroegte bij de supermarkt tegen het lijf lopen. Vaak houden ze vergaderingen in de smalle paden en blokkeren met de caddy’s het winkelend verkeer. Vanmorgen, toen ik zelf eens vroeg was kwam ik in zo’n opstopping terecht. Na veel kussen en handen schudden lieten ze me door naar de bouillonblokjes. Daar kwam ik de volgende oude bekende tegen. Hij stond met zijn neus op de etiketten gedrukt en had moeite een keuze te maken uit het grote aanbod. We maakten daar een grapje over en raakten aan de praat. “Met mijn gezondheid ging het goed”, zei hij. “Behalve dan dat ik mijn schouder had geforceerd toen ik iets optilde dat eigenlijk te zwaar was. Ik sta er niet altijd bij stil dat sommige dingen niet meer lukken”, grinnikte hij verontschuldigend. “Dan ben ik net te laat”. Gelaten haalde hij zijn geblesseerde schouder op. “Hoort er allemaal bij… de ouderdom, he: C’est comme ça, c’est la vieillesse”. Zijn mondhoeken zakten enkele graden naar beneden en in zijn ogen verscheen een sombere uitdrukking. Haastig uitte ik mijn bewondering over zijn jeugdig uiterlijk. Daar was niets mis mee. Sportieve leren jas op een elegante spijkerbroek. Zelfs zijn geruite pet kon de strijd aan met de laatste modetrend. Hij zag er nog fantastisch uit, fit en kwiek. Miste hij het moterrijden niet? Informeerde ik voorzichtig ervan uitgaande dat hij deze hobby ondertussen aan de wilgen had gehangen. Zijn ogen lichtten op, keken me indringend aan:”Hoezo? Ik zit nog vaak genoeg op de motor, hoor!” Nu was het mijn beurt om grote ogen op te zetten. “Nou ja”, grinnikte ik vergoelijkend, ”zo oud bent u ook nog niet, he”. Nog eens haalde hij de schouders op: “Vierentachtig pas”, mompelde hij kwasi langs zijn neus weg, terwijl hij een pak blokjes onder het licht hield om beter te kunnen lezen. Ik dacht hem niet goed verstaan te hebben en herhaalde ongelovig zijn woorden. Hij keek me trots aan wachtend op het compliment dat nu van mijn kant moest komen. Ik schoot in de lach:”Geweldig om nog zo aktief te kunnen zijn”. Zijn gezicht glom als een opgepoetst appeltje. “Vorige week ben ik met mijn zoon naar Argentat gefietst”, ging hij verder. “Lekker is dat, he”, viel ik hem enthousiast in de rede. “Met die electrische fietsen van tegenwoordig kom je nog eens ergens”. “Huh?” vroeg hij verbaasd, alsof hij het in Parijs hoorde donderen. “Ik heb nog steeds dezelfde fiets die ik kreeg op mijn vijftiende verjaardag!”. Mijn mond viel open. Ik probeerde me een voorstelling te maken van de fiets. “Er zitten twee versnellingen achter”, legde hij uit “en vóór ook”. Ik bedacht dat het toch gauw tussen de dertig en veertig kilometers aan heuvels en dalen moesten zijn vanaf zijn huis naar Argentat en dan nog terug. Pfffff. Respectvol klopte ik hem voorzichtig op de gezonde schouder. Wauw, wat een sportieve man!

Ik herinnerde me opeens dat ik in negentiennegentig bij onze aankomst in Frankrijk het voornemen had om af en toe wat inkopen te doen in ons eigen dorp Champagnac-La-Noaille en wel op de fiets. Op mijn comfortabele gazelle, mijn favoriete vervoermiddel meegenomen uit Nederland, reed ik fluitend naar beneden het plateau af. Langs de weilanden met vriendelijke koeien, de immense stapels hout in de berm en de dikke kastanjebomen. Vier kilometers naar Champagnac-la-Noaille. Eitje! Heerlijk, die wind om de oren! Ik nam me heilig voor er een gewoonte van te maken. Zeker twee keer per week. Goed voor de conditie en goed om wat dorpsbewoners in de ‘epicerie’ te ontmoeten. Met een volle boodschappentas begon ik een half uurtje later dapper aan de terugweg. De weg liep tergend langzaam omhoog. Nu begreep ik waarom sommigen dit het ‘vals plat’ noemden. Er leek geen einde aan te komen. Het moeilijkste stuk kwam na het kruispunt, stijl naar boven. Ik merkte dat de fiets teveel versnellingen miste om van enig nut te kunnen zijn. De koeien keken me medelijdend na toen ik de fiets hijgend de berg opduwde. Bij thuiskomst verdween de gazelle naar de schuur en zag na dit avontuur niets meer van het heuvelachtige natuurschoon.

Tegenwoordig reizen op veel caravans en auto’s electrische fietsen mee en zorgen ervoor dat het valse plat door de moderne techniek bedwongen wordt. Daarom zijn wij blij met elk nieuw snufje dat het mogelijk maakt dat mensen zo lang mogelijk kunnen gaan en staan waar ze willen, genieten van het leven en zelfs gezellig bij ons kunnen kamperen. Want laten we eerlijk zijn: Oud is toch niet out!?

Oud is niet out

Oud is niet out